“Wèntersel”: het is dichtbij dus ja, dan rij ik weer eens. En ik moet zeggen: na optredens in plekken als Woerden, Leiden, Hoogeveen en Oldenzaal is het wel weer eens lekker om dicht bij huis te spelen. Je hoeft tenminste niet zo lang in de auto te zitten en bovendien hoef je niet zoveel moeite te doen om de plaatselijke bevolking te verstaan, ze spreken immers hetzelfde dialect als jijzelf. Een duidelijke win-win situatie dus.
Dat ook een avond vol voordelen uiterst vervelend kan beginnen blijkt echter als we bij de kerk van Wintelre aankomen. Iemand heeft daar namelijk een groot hek omheen gezet met enkele ouderwetse poortwachters ervoor die pertinent weigeren onze auto’s met aanhanger te laten passeren. Dat wordt flink sjouwen dus. Gelukkig zijn wij zo slim geweest om al onze kisten met apparatuur te voorzien van wielen waardoor het sjouwen wel meevalt, maar zie zo’n lompe zware kist maar eens door een flinke kluwen mensen naar een tent te duwen. En als dat dan eindelijk gelukt is komt de grootste uitdaging pas: diezelfde lompe zware kist dwars door een overvolle feesttent richting het podium zien te rollen! Alles bij elkaar heeft het nogal wat voeten in de Wènterselse aarde vooraleer wij al onze spulletjes vanuit de aanhanger in de tent weten te krijgen. En dan blijkt dat er nog iets anders aan de hand is. De Best Irish Singers, een clubje kerels dat zo ongeveer de helft van ons repertoire uit het hoofd kent en dat vanavond ook op zal treden, zijn maar alvast begonnen met opbouwen. Er staat mij iets van bij dat dit absoluut de afspraak niet was, maar dat wij zouden beginnen met opbouwen. Hier heeft overduidelijk een sterk staaltje miscommunicatie plaatsgevonden tussen de organisatie uit Wintelre, de mannen uit Best en de Folkaholics uit Veldhoven. Maar dat geeft niet, laat die Singers maar schuiven. Gaan wij wel eerst op jacht naar de ons beloofde broodjes beenham.
Op het kerkplein ontwaar ik in de druilerige motregen feilloos de geur van vers gebraden beenham en spek. Mijn neus achterna lopend kom ik al gauw bij een tent met een kampvuur ervoor. En boven dat kampvuur zweeft met behulp van allerlei kettingen en stellages een soort grill en op die grill liggen flinke lappen spek te sissen dat het een aard heeft. We zitten goed. En aangezien de neus nog altijd de keus bepaalt, sta ik enkele ogenblikken later met een gigantische boterham (van dat “oerbrood”, kent u die nog?) belegd met een indrukwekkende lap spek en een flinke klodder verrukkelijke cranberrysaus terug in de feesttent. Bourgondisch eten. Heerlijk.
Het oorspronkelijke plan de campagne is in de tussentijd volledig op zijn kop gezet, maar na inmiddels twee Bourgondische boterhammen naar binnen te hebben geschoven kan het me allemaal niet zoveel meer schelen. Besloten is om de Best Irish Singers maar gewoon hun gang te laten gaan, en pas als zij helemaal klaar zijn (ze spelen twee sets) komen wij in actie. Frans ziet kans van de gelegenheid gebruik te maken door eventjes thuis de honden uit te gaan laten en ik zak in gedachten behaaglijk onderuit in een luxe fauteuil. Helaas staat die fauteuil er niet en zal ik me dus moeten behelpen met een houten klapstoeltje. Een tegenvaller.
De tijd vliegt als je het leuk hebt en je kunt van de Best Irish Singers zeggen wat je wil, maar leuk is het wel. Verschillende overbekende klassiekers, waaronder dus de helft van ons repertoire, passeren de revue en worden allemaal met hetzelfde enthousiasme van het podium af gebulderd. Ze maken er een gezellige boel van in de tent. En dat is maar goed ook want wij moeten zo meteen ook nog. Je zou het bijna vergeten. Maar de waarheid is hard en als de Singers even later op hun dooie elfendertigste bezig zijn het podium vrij te maken, zetten wij reeds de geoliede Folkaholics-opbouwmachine in gang. In een moordend tempo en daarbij niets en niemand ontziend slingeren wij microfoons, kabels, instrumenten en verwensingen over en weer. Heel even moet ik inhouden als er nog een laatste verdwaalde Singer voorbij komt kuieren die er blijkbaar zeker van wil zijn dat hij echt niks heeft laten liggen, maar als die ook eenmaal opgedonderd is gaat de opbouwwoede weer onverdroten verder en binnen opvallend afzienbare tijd, als de stofwolken op het podium weer langzaam neergedwarreld zijn, ontwaart het publiek een podium dat klaar staat voor een avondje ouderwetse folk ‘n’ loll. Nog even snel omkleden en dan kunnen we. Eens kijken of we nog een beetje leven in de enigszins ingekakte feesttent kunnen krijgen.
We spelen drie sets, met alle drie een duidelijk eigen karakter. De eerste set is eigenlijk nog slappe hap. Van het publiek dan. Alleen de Best Irish Singers zingen lekker mee, zij kennen tenslotte de helft van ons repertoire. Gaandeweg de tweede set wordt het al gezelliger in de tent maar echt helemaal los gaat het pas vanaf de derde. Er is inmiddels een hoop jong volk de tent binnen komen waaien om het publiek te versterken en aangezien deze jongelingen wel van een feestje houden en zich ook graag rijkelijk tegoed doen aan het goudgele gerstenat, hoeven wij hem eigenlijk alleen nog maar binnen te koppen. Hetgeen wij natuurlijk met alle soorten van genoegen doen.
Later die avond, als we al bijna klaar zijn met opruimen, word ik gewenkt door een jongeman die geflankeerd wordt door twee al even jonge dames. De jongen wil graag mijn hoed kopen. Twintig euro, is mijn impulsieve reactie waarop hij zowaar zijn portemonnee trekt en er een blauwe flap uit wil halen. Ik heb mijn hoed al in mijn hand als zijn vriendin hem tegenhoudt. Twintig euro is misschien een beetje duur, zij stelt vijf euro voor. Maar dat vind ik toch echt te weinig en ik zet mijn hoed weer terug op mijn hoofd. Als ik vervolgens aanstalten maak om op te staan en verder te gaan opruimen, doet de jongen een laatste poging: hij biedt zijn vriendin aan in ruil voor mijn hoed. Ik kijk beurtelings hem en zijn vriendin aan, sta dan op en meewarig mijn hoofd schuddend raap ik een kabel op. Zijn vriendin voor mijn hoed, het idee alleen al…
…al moet ik toegeven dat ik wel even getwijfeld heb.
Mark