Katwijk. Een klereneind rijden dwars door de vrijdagavondspits. We vertrekken om half zes, in de hoop er om acht uur te zijn. Van de route krijg ik niet zo heel veel mee. We rijden door een stuk Nederland waar ik zelden of nooit ben geweest en eerlijk gezegd word ik er ook niet echt warm van. Een aantal keer komen we in een (gelukkig korte) file terecht en het is maar goed dat we de gebroeders Tom en Tom hebben meegenomen, want we moeten zo vaak van autosnelweg wisselen dat ik het spoor al snel volkomen bijster zou zijn geweest, moest het zo zijn dat ik achter het stuur zou hebben gezeten. Maar gelukkig hebben wij Joris, dus ik zit comfortabel achterin. Buiten de auto trekt het Hollandse landschap als een filmdecor aan ons voorbij terwijl binnen de flauwe grappen over en weer vliegen. Folkaholics op oorlogspad, het is ook altijd hetzelfde.
De zelfbenoemde “Crew” van de Familiedagen staat ons al op te wachten bij het hek van het immense maar prachtige sportcomplex, dat half in de duinen verscholen ligt. Lopend langs de kantine zie ik voor me ineens het hoofdveld liggen, dat ik herken van de televisie. Hier heeft het Nederlands Elftal vanochtend nog getraind in de voorbereiding op het naderende EK. Maar daar komen wij niet voor, wij komen om zelf te spelen. Toch voor de zekerheid nog even gevraagd of wij vanavond op het hoofdveld mogen spelen maar helaas: we spelen binnen. Jammer.
“Binnen” blijkt de kantine te zijn waar alle blauwe en witte versieringen (Quick Boys speelt in blauwwitte shirts) vervangen zijn door groene, witte en oranje slingers, ballonnen, vlaggetjes en weet ik veel wat allemaal nog meer. De organisatie heeft goed haar best gedaan, het ziet er beregezellig uit. Zeker voor een voetbalkantine.
Dat voetballers weten wat feesten is blijkt een uurtje later, als we beginnen aan onze eerste set. Het is opvallend druk in de kantine (het is tenslotte pas kwart over negen) en veel bezoekers lijken van plan zich vanavond volledig te laten gaan. Heineken vloeit rijkelijk en ook de voor de gelegenheid aanwezige Murphy’s is niet aan te slepen. Binnen tien minuten een vat leeg, dat kan alleen bij Ierse feesten. Een groep jongemannen vlak voor het podium laat zich het bier goed smaken en reageert steeds enthousiaster op onze muziek. Opvallend is dat ze zelfs ons meest Ierse werk (Lord of the Breakout en lange instrumentale jigs zoals het einde van I’m Into Folk) enorm waarderen en begroeten met buitengewoon slechte imitaties van traditionele danspasjes. Die wel ontzettend leuk zijn om naar te kijken trouwens.
Tijdens onze tweede pauze krijgt Pim een geniale ingeving: “Hebben jullie hier niet een soort van clublied ofzo?” vraagt hij aan een kerel van de organisatie die volgens mij belast is met de taak het de band zo prettig mogelijk te maken en die dus continu bij ons in de buurt rondhangt om ons bier te geven. Dat clublied is er, en onze gastheer is zo vriendelijk om de volledige tekst op een stukje papier te zetten alhoewel dat volgens hem niet eens nodig is. We hoeven alleen maar de eerste lettergreep in te zetten en het publiek doet de rest. Eenmaal terug op het podium blijkt dit inderdaad als zodanig te werken. Pim brult “Wwwaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaarrrrrrrrrr……” en voor we het weten neemt het publiek het optreden van ons over. Dat was natuurlijk ook niet helemaal de bedoeling, maar het is wel lekker makkelijk scoren. Dat het ons vervolgens de grootst mogelijke moeite kost om fatsoenlijk aan ons volgende nummer te beginnen nemen we dan maar voor lief. Het is tenslotte hun feestje.
Met een shirt dat door het zweet bijna twee keer zo zwaar is geworden steek ik twee duimen omhoog naar publiek en naar Linda, waarna ik de rust en koelte van de bestuurskantine opzoek. Jongens jongens wat was het gezellig vanavond, maar na bijna tweeënhalf uur plankgas feesten ben ik helemaal kapot. En dan moeten we ook nog bijna tweeënhalf uur plankgas naar huis rijden! Maar gelukkig hebben we Joris. Iets voorbij Leiden doe ik op het gemak de oogjes dicht om ze ruim na Den Bosch pas weer open te doen. Zoals het hoort.
Mark